Joël 1 SVV/NIV - Online Parallel Bible

 
  Search
Statenvertaling (Dutch) (SVV) New International Version (NIV)
1 Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joel, den zoon van Pethuel: 1 The word of the LORD that came to Joel son of Pethuel.
2 Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen? 2 Hear this, you elders; listen, all who live in the land. Has anything like this ever happened in your days or in the days of your forefathers?
3 Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht. 3 Tell it to your children, and let your children tell it to their children, and their children to the next generation.
4 Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. 4 What the locust swarm has left the great locusts have eaten; what the great locusts have left the young locusts have eaten; what the young locusts have left other locusts have eaten.
5 Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden. 5 Wake up, you drunkards, and weep! Wail, all you drinkers of wine; wail because of the new wine, for it has been snatched from your lips.
6 Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. 6 A nation has invaded my land, powerful and without number; it has the teeth of a lion, the fangs of a lioness.
7 Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. 7 It has laid waste my vines and ruined my fig trees. It has stripped off their bark and thrown it away, leaving their branches white.
8 Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd. 8 Mourn like a virgin in sackcloth grieving for the husband of her youth.
9 Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren. 9 Grain offerings and drink offerings are cut off from the house of the LORD. The priests are in mourning, those who minister before the LORD.
10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. 10 The fields are ruined, the ground is dried up; the grain is destroyed, the new wine is dried up, the oil fails.
11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan. 11 Despair, you farmers, wail, you vine growers; grieve for the wheat and the barley, because the harvest of the field is destroyed.
12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen. 12 The vine is dried up and the fig tree is withered; the pomegranate, the palm and the apple tree-- all the trees of the field--are dried up. Surely the joy of mankind is withered away.
13 Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods. 13 Put on sackcloth, O priests, and mourn; wail, you who minister before the altar. Come, spend the night in sackcloth, you who minister before my God; for the grain offerings and drink offerings are withheld from the house of your God.
14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE. 14 Declare a holy fast; call a sacred assembly. Summon the elders and all who live in the land to the house of the LORD your God, and cry out to the LORD.
15 Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige. 15 Alas for that day! For the day of the LORD is near; it will come like destruction from the Almighty.
16 Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods? 16 Has not the food been cut off before our very eyes-- joy and gladness from the house of our God?
17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 17 The seeds are shriveled beneath the clods. The storehouses are in ruins, the granaries have been broken down, for the grain has dried up.
18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. 18 How the cattle moan! The herds mill about because they have no pasture; even the flocks of sheep are suffering.
19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken. 19 To you, O LORD, I call, for fire has devoured the open pastures and flames have burned up all the trees of the field.
20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd. 20 Even the wild animals pant for you; the streams of water have dried up and fire has devoured the open pastures.