Micha 2 SVV/NIV - Online Parallel Bible

 
  Search
Statenvertaling (Dutch) (SVV) New International Version (NIV)
1 Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is. 1 Woe to those who plan iniquity, to those who plot evil on their beds! At morning's light they carry it out because it is in their power to do it.
2 En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis. 2 They covet fields and seize them, and houses, and take them. They defraud a man of his home, a fellowman of his inheritance.
3 Daarom, alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn. 3 Therefore, the LORD says: "I am planning disaster against this people, from which you cannot save yourselves. You will no longer walk proudly, for it will be a time of calamity.
4 Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers. 4 In that day men will ridicule you; they will taunt you with this mournful song: 'We are utterly ruined; my people's possession is divided up. He takes it from me! He assigns our fields to traitors.' "
5 Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN. 5 Therefore you will have no one in the assembly of the LORD to divide the land by lot.
6 Profeteert gijlieden niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden. 6 "Do not prophesy," their prophets say. "Do not prophesy about these things; disgrace will not overtake us."
7 O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt? 7 Should it be said, O house of Jacob: "Is the Spirit of the LORD angry? Does he do such things?" "Do not my words do good to him whose ways are upright?
8 Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. 8 Lately my people have risen up like an enemy. You strip off the rich robe from those who pass by without a care, like men returning from battle.
9 De vrouwen Mijns volks verdrijft gij, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt gij Mijn sieraad in eeuwigheid. 9 You drive the women of my people from their pleasant homes. You take away my blessing from their children forever.
10 Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving. 10 Get up, go away! For this is not your resting place, because it is defiled, it is ruined, beyond all remedy.
11 Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks. 11 If a liar and deceiver comes and says, 'I will prophesy for you plenty of wine and beer,' he would be just the prophet for this people!
12 Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israels overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen. 12 "I will surely gather all of you, O Jacob; I will surely bring together the remnant of Israel. I will bring them together like sheep in a pen, like a flock in its pasture; the place will throng with people.
13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits. 13 One who breaks open the way will go up before them; they will break through the gate and go out. Their king will pass through before them, the LORD at their head."