Parallel Bible results for Johannes 13:18-30

Statenvertaling (Dutch)

New International Version

Johannes 13:18-30

SVV 18 Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. NIV 18 “I am not referring to all of you; I know those I have chosen. But this is to fulfill this passage of Scripture: ‘He who shared my bread has turnedagainst me.’ SVV 19 Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben. NIV 19 “I am telling you now before it happens, so that when it does happen you will believe that I am who I am. SVV 20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. NIV 20 Very truly I tell you, whoever accepts anyone I send accepts me; and whoever accepts me accepts the one who sent me.” SVV 21 Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden. NIV 21 After he had said this, Jesus was troubled in spirit and testified, “Very truly I tell you, one of you is going to betray me.” SVV 22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide. NIV 22 His disciples stared at one another, at a loss to know which of them he meant. SVV 23 En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. NIV 23 One of them, the disciple whom Jesus loved, was reclining next to him. SVV 24 Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide. NIV 24 Simon Peter motioned to this disciple and said, “Ask him which one he means.” SVV 25 En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het? NIV 25 Leaning back against Jesus, he asked him, “Lord, who is it?” SVV 26 Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. NIV 26 Jesus answered, “It is the one to whom I will give this piece of bread when I have dipped it in the dish.” Then, dipping the piece of bread, he gave it to Judas, the son of Simon Iscariot. SVV 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk. NIV 27 As soon as Judas took the bread, Satan entered into him. So Jesus told him, “What you are about to do, do quickly.” SVV 28 En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide. NIV 28 But no one at the meal understood why Jesus said this to him. SVV 29 Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou. NIV 29 Since Judas had charge of the money, some thought Jesus was telling him to buy what was needed for the festival, or to give something to the poor. SVV 30 Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht. NIV 30 As soon as Judas had taken the bread, he went out. And it was night.

California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice