Jeremia 48:20-30

20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.
21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath.
22 En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,
23 En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,
24 En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
25 Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt de HEERE.
26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.
27 Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?
28 Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.
29 Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogmoed.
30 Ik ken zijn verbolgenheid, spreekt de HEERE, maar niet alzo; zijn grendelen doen het zo niet.

Jeremia 48:20-30 Meaning and Commentary

INTRODUCTION TO JEREMIAH 48

This chapter contains a prophecy of the destruction of Moab, and of the mourning that should be for it; and not only its destruction in general is predicted, but particular places are mentioned, on which it should fall, Jer 48:1-5; the causes of which were their confidence in their works and riches, their carnal ease and security, and their idolatry, they should now be ashamed of, Jer 48:6-13; and this destruction is represented both as certain and as near, notwithstanding their mighty warriors and choice young men, Jer 48:14-17; and then other cities are particularly named, that should share in the calamity, Jer 48:18-25; and all this because of their insolence to the Lord; their contempt of his people; their pride, arrogance, and haughtiness; their wrath, and their lies, Jer 48:26-30; and this destruction is further exaggerated by the lamentation of the prophet over Moab in general, and over several particular cities; and by the lamentation of the inhabitants of them, because of the spoiling of their vines, their fruits, and their riches, Jer 48:31-39; and this is confirmed by the Lord, as to the swiftness of the enemy that should destroy them; the consternation and fear that should seize them; the flight they should be put to; and the consumption and captivity of them, Jer 48:40-46; and the chapter is concluded with a promise of the return of their captivity in the latter day, Jer 48:47.

The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.