Psalmen 69:20-30

20 Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
24 Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
25 Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
26 Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
27 Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
28 Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
29 Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
30 Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.

Images for Psalmen 69:20-30

Psalmen 69:20-30 Meaning and Commentary

To the chief Musician upon Shoshannim, [A Psalm] of David. Of the word "shoshannim," See Gill on "Ps 45:1," title. The Targum renders it, "concerning the removal of the sanhedrim;" which was about the time of Christ's death. The Talmudists {t} say, that forty years before the destruction of the temple, the sanhedrim removed, they removed from the paved chamber, &c. But it can hardly be thought that David prophesied of this affair; nor of the captivity of the people of Israel, as the Targum, Aben Ezra, Kimchi, Arama, and R. Obadiah interpret it: and so Jarchi takes the word "shoshannim" to signify lilies, and applies it to the Israelites, who are as a lily among thorns. But not a body of people, but a single person, is spoken of, and in sorrowful and suffering circumstances; and, if the Jews were not blind, they might see that they are the enemies of the person designed, and the evil men from whom he suffered so much. And indeed what is said of him cannot be said of them, nor of any other person whatever but the Messiah: and that the psalm belongs to Christ, and to the times of the Gospel, is abundantly evident from the citations out of it in the New Testament; as

Psalm 69:4 in John 15:25;
Psalm 69:9 in John 2:17;
Psalm 69:21 in Matthew 27:34;
Psalm 69:22 in Romans 11:9;
Psalm 69:25 in Acts 1:16.

The inscription of the psalm in the Syriac version is, "'a psalm' of David, according to the letter, when Shemuah (Sheba), the son of Bichri, blew a trumpet, and the people ceased from following after him (David); but the prophecy is said concerning those things which the Messiah suffered, and concerning the rejection of the Jews." And Aben Ezra interprets Psalm 69:36 of the days of David, or of the days of the Messiah.

{t} T. Bab. Avoda Zara, fol. 8. 2. & Roshhashanah, fol. 31. 1, 2.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.