Psalmen 69:5-15

5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
6 O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
8 Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
9 Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
10 Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
12 En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
13 Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
14 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
15 Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

Psalmen 69:5-15 Meaning and Commentary

To the chief Musician upon Shoshannim, [A Psalm] of David. Of the word "shoshannim," See Gill on "Ps 45:1," title. The Targum renders it, "concerning the removal of the sanhedrim;" which was about the time of Christ's death. The Talmudists {t} say, that forty years before the destruction of the temple, the sanhedrim removed, they removed from the paved chamber, &c. But it can hardly be thought that David prophesied of this affair; nor of the captivity of the people of Israel, as the Targum, Aben Ezra, Kimchi, Arama, and R. Obadiah interpret it: and so Jarchi takes the word "shoshannim" to signify lilies, and applies it to the Israelites, who are as a lily among thorns. But not a body of people, but a single person, is spoken of, and in sorrowful and suffering circumstances; and, if the Jews were not blind, they might see that they are the enemies of the person designed, and the evil men from whom he suffered so much. And indeed what is said of him cannot be said of them, nor of any other person whatever but the Messiah: and that the psalm belongs to Christ, and to the times of the Gospel, is abundantly evident from the citations out of it in the New Testament; as

Psalm 69:4 in John 15:25;
Psalm 69:9 in John 2:17;
Psalm 69:21 in Matthew 27:34;
Psalm 69:22 in Romans 11:9;
Psalm 69:25 in Acts 1:16.

The inscription of the psalm in the Syriac version is, "'a psalm' of David, according to the letter, when Shemuah (Sheba), the son of Bichri, blew a trumpet, and the people ceased from following after him (David); but the prophecy is said concerning those things which the Messiah suffered, and concerning the rejection of the Jews." And Aben Ezra interprets Psalm 69:36 of the days of David, or of the days of the Messiah.

{t} T. Bab. Avoda Zara, fol. 8. 2. & Roshhashanah, fol. 31. 1, 2.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.