Job 14; Job 15; Job 16; Handelingen 9:22-43

1 De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. 2 Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. 3 Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U. 4 Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een. 5 Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; 6 Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe. 7 Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden. 8 Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft; 9 Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant. 10 Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan? 11 De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort; 12 Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. 13 Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart! 14 Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou. 15 Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn. 16 Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil. 17 Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen. 18 En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats; 19 De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen. 20 Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg. 21 Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen. 22 Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.
1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: 2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? 3 Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet? 4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg. 5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren. 6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. 7 Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht? 8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is? 10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u? 12 Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen? 13 Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan. 14 Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? 15 Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. 16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water? 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen; 18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft; 19 Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging. 20 Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd. 21 Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over. 22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. 23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis. 24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde. 25 Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan. 26 Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden. 27 Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; 28 En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden. 29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. 30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. 31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen. 32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. 33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. 34 Want de vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken. 35 Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters. 3 Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt? 4 Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden? 5 Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden. 6 Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? 7 Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest. 8 Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. 9 Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. 10 Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. 11 God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen. 12 Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. 13 Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. 14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige. 15 Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. 16 Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw. 17 Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. 18 O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats. 19 Ook nu, zie, in den hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten. 20 Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God. 21 Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend. 22 Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wederkeren.
22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is. 23 En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden. 24 Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten. 25 Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand. 26 Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was. 27 Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; 29 En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden. 30 Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen. 31 De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd. 32 En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden. 33 En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was. 34 En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op. 35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere. 36 En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. 37 En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal. 38 En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen. 39 En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. 40 Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde. 41 En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen. 42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere. 43 En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekeren Simon, een lederbereider.