Psalmen 46; Psalmen 47; Psalmen 48; Psalmen 49; Psalmen 50

1 Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. 3 Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen; 4 Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela. 5 De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. 6 God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond. 7 De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt. 8 De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela. 9 Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht. 10 Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt. 11 Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. [ (Psalms 46:12) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela. ]
1 Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang. 3 Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. 4 Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten. 5 Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela. 6 God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin. 7 Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt! 8 Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing! 9 God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid. [ (Psalms 47:10) De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven! ]
1 Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid. 3 Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings. 4 God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek. 5 Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen. 6 Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg. 7 Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw. 8 Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis. 9 Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela. 10 O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels. 11 Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid. 12 Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil. 13 Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens; 14 Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt. [ (Psalms 48:15) Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe. ]
1 Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld, 3 Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm! 4 Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn. 5 Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp. 6 Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? 7 Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; 8 Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; 9 (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); 10 Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. 11 Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. 12 Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. 13 De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. 14 Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 15 Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 16 Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 17 Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt; 18 Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. 19 Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet; 20 Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
1 Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang. 2 Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. 3 Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 4 Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. 5 Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande! 6 En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela. 7 Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God. 8 Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij. 9 Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien; 10 Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. 11 Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. 12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid. 13 Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? 14 Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften. 15 En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren. 16 Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? 17 Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt. 18 Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. 19 Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog. 20 Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit. 21 Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen. 22 Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde. 23 Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice