Spreuken 19; Spreuken 20; Spreuken 21; 2 Corinthiërs 7

1 De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is. 2 Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt. 3 De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen. 4 Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden. 5 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen. 6 Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft. 7 Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn. 8 Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden. 9 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan. 10 De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten! 11 Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan. 12 Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid. 13 Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen. 14 Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE. 15 Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren. 16 Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven. 17 Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden. 18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden. 19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren. 20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt. 21 In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan. 22 De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man. 23 De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden. 24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen. 25 Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen. 26 Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet. 27 Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap. 28 Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in. 29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
1 De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn. 2 De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel. 3 Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen. 4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn. 5 De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen. 6 Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden? 7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem. 8 Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen. 9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? 10 Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide. 11 Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen. 12 Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide. 13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood. 14 Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. 15 Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood. 16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden. 17 Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden. 18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen. 19 Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt. 20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis. 21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden. 22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen. 23 Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed. 24 De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan? 25 Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen. 26 Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen. 27 De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks. 28 Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon. 29 Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid. 30 Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.
1 Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil. 2 Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten. 3 Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer. 4 Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde. 5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek. 6 Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken. 7 De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen. 8 De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht. 9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. 10 De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen. 11 Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan. 12 De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort. 13 Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden. 14 Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid. 15 Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking. 16 Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten. 17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden. 18 De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten. 19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw. 20 In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks. 21 Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden. 22 De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder. 23 Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden. 24 Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk. 25 De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken. 26 Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden. 27 Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen! 28 Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning. 29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast. 30 Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE. 31 Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
1 Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods. 2 Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt, om samen te sterven en samen te leven. 4 Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 Want ook, als wij in Macedonie gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad; maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees. 6 Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 7 En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; alzo dat ik te meer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie, dat dezelve zendbrief, hoewel voor een kleinen tijd, u bedroefd heeft. 9 Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekering; want gij zijt bedroefd geweest naar God, zodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt. 10 Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. 11 Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil, die onrecht gedaan had, noch om diens wil, die onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de tegenwoordigheid Gods. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uw vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden. 14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzo is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 15 En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreze en beven hebt ontvangen. 16 Ik verblijde mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice