Try out the new BibleStudyTools.com. Click here!

Romeinen 9 SVV/NIV - Online Parallel Bible

 
  Search
Statenvertaling (Dutch) (SVV) New International Version (NIV)
1 Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest), 1 I speak the truth in Christ--I am not lying, my conscience confirms it in the Holy Spirit--
2 Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is. 2 I have great sorrow and unceasing anguish in my heart.
3 Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees; 3 For I could wish that I myself were cursed and cut off from Christ for the sake of my brothers, those of my own race,
4 Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; 4 the people of Israel. Theirs is the adoption as sons; theirs the divine glory, the covenants, the receiving of the law, the temple worship and the promises.
5 Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen. 5 Theirs are the patriarchs, and from them is traced the human ancestry of Christ, who is God over all, forever praised! Amen.
6 Doch ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn. 6 It is not as though God's word had failed. For not all who are descended from Israel are Israel.
7 Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. 7 Nor because they are his descendants are they all Abraham's children. On the contrary, "It is through Isaac that your offspring will be reckoned."
8 Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. 8 In other words, it is not the natural children who are God's children, but it is the children of the promise who are regarded as Abraham's offspring.
9 Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. 9 For this was how the promise was stated: "At the appointed time I will return, and Sarah will have a son."
10 En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaak, onzen Vader. 10 Not only that, but Rebekah's children had one and the same father, our father Isaac.
11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende; 11 Yet, before the twins were born or had done anything good or bad--in order that God's purpose in election might stand:
12 Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen. 12 not by works but by him who calls--she was told, "The older will serve the younger."
13 Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. 13 Just as it is written: "Jacob I loved, but Esau I hated."
14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre. 14 What then shall we say? Is God unjust? Not at all!
15 Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. 15 For he says to Moses, "I will have mercy on whom I have mercy, and I will have compassion on whom I have compassion."
16 Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. 16 It does not, therefore, depend on man's desire or effort, but on God's mercy.
17 Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde. 17 For the Scripture says to Pharaoh: "I raised you up for this very purpose, that I might display my power in you and that my name might be proclaimed in all the earth."
18 Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. 18 Therefore God has mercy on whom he wants to have mercy, and he hardens whom he wants to harden.
19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan? 19 One of you will say to me: "Then why does God still blame us? For who resists his will?"
20 Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? 20 But who are you, O man, to talk back to God? "Shall what is formed say to him who formed it, 'Why did you make me like this?' "
21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere? 21 Does not the potter have the right to make out of the same lump of clay some pottery for noble purposes and some for common use?
22 En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid; 22 What if God, choosing to show his wrath and make his power known, bore with great patience the objects of his wrath--prepared for destruction?
23 En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? 23 What if he did this to make the riches of his glory known to the objects of his mercy, whom he prepared in advance for glory--
24 Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. 24 even us, whom he also called, not only from the Jews but also from the Gentiles?
25 Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. 25 As he says in Hosea: "I will call them 'my people' who are not my people; and I will call her 'my loved one' who is not my loved one,"
26 En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden. 26 and, "It will happen that in the very place where it was said to them, 'You are not my people,' they will be called 'sons of the living God.' "
27 En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. 27 Isaiah cries out concerning Israel: "Though the number of the Israelites be like the sand by the sea, only the remnant will be saved.
28 Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde. 28 For the Lord will carry out his sentence on earth with speed and finality."
29 En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. 29 It is just as Isaiah said previously: "Unless the Lord Almighty had left us descendants, we would have become like Sodom, we would have been like Gomorrah."
30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. 30 What then shall we say? That the Gentiles, who did not pursue righteousness, have obtained it, a righteousness that is by faith;
31 Maar Israel, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen. 31 but Israel, who pursued a law of righteousness, has not attained it.
32 Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots; 32 Why not? Because they pursued it not by faith but as if it were by works. They stumbled over the "stumbling stone."
33 Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 33 As it is written: "See, I lay in Zion a stone that causes men to stumble and a rock that makes them fall, and the one who trusts in him will never be put to shame."