Parallel Bible results for Lukas 8:26-56

Statenvertaling (Dutch)

New International Version

Lukas 8:26-56

SVV 26 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galilea. NIV 26 They sailed to the region of the Gerasenes, which is across the lake from Galilee. SVV 27 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. NIV 27 When Jesus stepped ashore, he was met by a demon-possessed man from the town. For a long time this man had not worn clothes or lived in a house, but had lived in the tombs. SVV 28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt! NIV 28 When he saw Jesus, he cried out and fell at his feet, shouting at the top of his voice, “What do you want with me, Jesus, Son of the Most High God? I beg you, don’t torture me!” SVV 29 Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. NIV 29 For Jesus had commanded the impure spirit to come out of the man. Many times it had seized him, and though he was chained hand and foot and kept under guard, he had broken his chains and had been driven by the demon into solitary places. SVV 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. NIV 30 Jesus asked him, “What is your name?”“Legion,” he replied, because many demons had gone into him. SVV 31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen. NIV 31 And they begged Jesus repeatedly not to order them to go into the Abyss. SVV 32 En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe. NIV 32 A large herd of pigs was feeding there on the hillside. The demons begged Jesus to let them go into the pigs, and he gave them permission. SVV 33 En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. NIV 33 When the demons came out of the man, they went into the pigs, and the herd rushed down the steep bank into the lake and was drowned. SVV 34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. NIV 34 When those tending the pigs saw what had happened, they ran off and reported this in the town and countryside, SVV 35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. NIV 35 and the people went out to see what had happened. When they came to Jesus, they found the man from whom the demons had gone out, sitting at Jesus’ feet, dressed and in his right mind; and they were afraid. SVV 36 En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. NIV 36 Those who had seen it told the people how the demon-possessed man had been cured. SVV 37 En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom. NIV 37 Then all the people of the region of the Gerasenes asked Jesus to leave them, because they were overcome with fear. So he got into the boat and left. SVV 38 En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: NIV 38 The man from whom the demons had gone out begged to go with him, but Jesus sent him away, saying, SVV 39 Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had. NIV 39 “Return home and tell how much God has done for you.” So the man went away and told all over town how much Jesus had done for him. SVV 40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende. NIV 40 Now when Jesus returned, a crowd welcomed him, for they were all expecting him. SVV 41 En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen. NIV 41 Then a man named Jairus, a synagogue leader, came and fell at Jesus’ feet, pleading with him to come to his house SVV 42 Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen. NIV 42 because his only daughter, a girl of about twelve, was dying. As Jesus was on his way, the crowds almost crushed him. SVV 43 En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, NIV 43 And a woman was there who had been subject to bleeding for twelve years, but no one could heal her. SVV 44 Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. NIV 44 She came up behind him and touched the edge of his cloak, and immediately her bleeding stopped. SVV 45 En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? NIV 45 “Who touched me?” Jesus asked. When they all denied it, Peter said, “Master, the people are crowding and pressing against you.” SVV 46 En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is. NIV 46 But Jesus said, “Someone touched me; I know that power has gone out from me.” SVV 47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. NIV 47 Then the woman, seeing that she could not go unnoticed, came trembling and fell at his feet. In the presence of all the people, she told why she had touched him and how she had been instantly healed. SVV 48 En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. NIV 48 Then he said to her, “Daughter, your faith has healed you. Go in peace.” SVV 49 Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeilijk. NIV 49 While Jesus was still speaking, someone came from the house of Jairus, the synagogue leader. “Your daughter is dead,” he said. “Don’t bother the teacher anymore.” SVV 50 Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. NIV 50 Hearing this, Jesus said to Jairus, “Don’t be afraid; just believe, and she will be healed.” SVV 51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. NIV 51 When he arrived at the house of Jairus, he did not let anyone go in with him except Peter, John and James, and the child’s father and mother. SVV 52 En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt. NIV 52 Meanwhile, all the people were wailing and mourning for her. “Stop wailing,” Jesus said. “She is not dead but asleep.” SVV 53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. NIV 53 They laughed at him, knowing that she was dead. SVV 54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! NIV 54 But he took her by the hand and said, “My child, get up!” SVV 55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zoude. NIV 55 Her spirit returned, and at once she stood up. Then Jesus told them to give her something to eat. SVV 56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. NIV 56 Her parents were astonished, but he ordered them not to tell anyone what had happened.

California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice