Jesaja 5:7

7 Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.

Jesaja 5:7 Meaning and Commentary

Isaiah 5:7

For the vineyard of the Lord of hosts is the house of
Israel
This is the explication of the parable, or the accommodation and application of it to the people of Israel, by whom are meant the ten tribes; they are signified by the vineyard, which belonged to the Lord of hosts, who had chosen them to be a peculiar people to him, and had separated them from all others: and the men of Judah his pleasant plant;
they were so when first planted by the Lord; they were plants of delight, in whom he took great delight and pleasure, ( Deuteronomy 10:15 ) these design the two tribes of Judah and Benjamin, in distinction from Israel: and he looked for judgment;
that the poor, and the fatherless, and the widow, would have their causes judged in a righteous manner, and that justice and judgment would be executed in the land in all respects; for which such provision was made by the good and righteous laws that were given them: but behold oppression;
or a "scab", such as was in the plague of leprosy; corruption, perverting of justice, and oppressing of the poor: Jarchi interprets it a gathering of sin to sin, a heaping up iniquities: for righteousness, but behold a cry;
of the poor and oppressed, for want of justice done, and by reason of their oppressions. Here ends the song; what has been parabolically said is literally expressed in the following part of the chapter.

Jesaja 5:7 In-Context

5 Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
6 En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
7 Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
8 Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!
9 Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner!
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.