Ezechiël 21:20-30

20 Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.
21 Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.
22 De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.
23 Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.
24 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.
25 En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israel, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;
26 Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.
27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.
28 En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
29 Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.
30 Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.

Ezechiël 21:20-30 Meaning and Commentary

INTRODUCTION TO EZEKIEL 21

This chapter contains an explanation of a prophecy in the latter part of the preceding chapter; and a new one, concerning the sword of the Chaldeans, and the destruction of the Jews and Ammonites by it. The prophecy of the fire in the forest is explained, Eze 21:1-5, upon which the prophet is directed to show his concern at it by sighing, in order to awaken the attention of the people to it, Eze 21:6,7, then follows a prophecy of a very sharp and bright sword, which should do great execution upon the people and princes of Israel; and therefore the prophet, in order to affect them, with it, is bid to howl and cry, and smite on his thigh; and smite his hands together, and the Lord says he would do so; all which is designed to set forth the greatness of the calamity and the distress, Eze 21:8-17, next the prophet is ordered to represent the king of Babylon as at a place where two ways met, and as at a loss which way to take, and as determined by divination to go to Jerusalem first, Eze 21:18-24, and then Zedekiah, the then reigning prince of Israel, has his doom pronounced on him, and he is ordered to be stripped of his regalia; and an intimation is given that there should be no more king over Israel of the house of David until the Messiah came, Eze 21:26,27 and the chapter is concluded with a prophecy of the destruction of the Ammonites in their own land, which should certainly be, though their diviners might, say the contrary, Eze 21:28-31.

above excuse or complaint about speaking in parables; wherefore the prophet is ordered to speak in plainer language to the people. It is very probable that the prophet delivered the prophecy recorded in the latter part of the preceding chapter in the figurative terms in which he received it; and he here is bid to explain it to the people, or to repeat it to them in clearer expressions. 28904-950610-1207-Eze21.2

The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.