Richtere 9:38

38 Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat gij veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem!

Richtere 9:38 Meaning and Commentary

Judges 9:38

Then said Zebul unto him
Not being able to put him off any longer, and willing to take the opportunity to upbraid him with what he had said:

where is now thy mouth, [wherewith] thou saidst, who is Abimelech, that
we should serve him?
darest thou say the same thou hast done, and utter the contemptuous language concerning Abimelech, asking who he was, that he should be served? Here he is, speak to his face; what are become of those boasts and brags, and great swelling words, what thou wouldest do if thou hadst the command of this city?

is not this the people thou hast despised?
as small and insignificant, bidding Abimelech increase his army, and come out and fight:

go out, I pray thee, now, and fight with them;
and show thyself to be a man of courage, and not a mere blusterer, a man that can use his sword as well as his tongue.

Richtere 9:38 In-Context

36 Als Gaal dat volk zag, zo zeide hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten der bergen. Zebul daarentegen zeide tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor mensen aan.
37 Maar Gaal voer wijders voort te spreken en zeide: Zie daar volk, afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meonenim.
38 Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat gij veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem!
39 En Gaal trok uit voor het aangezicht der burgeren van Sichem, en hij streed tegen Abimelech.
40 En Abimelech jaagde hem na, want hij vlood voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur der stads poort.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.