Jesaja 57:16

16 Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.

Jesaja 57:16 Meaning and Commentary

Isaiah 57:16

For I will not contend for ever
By afflictive providences; with the humble and contrite, the end being in a great measure answered by their humiliation and contrition; when God afflicts his people, it shows that he has a controversy with them, for their good, and his own glory; and when these ends are obtained, he will carry it on no longer: neither will I be always wroth;
as he seems to be in the apprehensions of his people, when he either hides his face from them, or chastises them with a rod of affliction: for the spirit should fail before me;
the spirit of the afflicted, which not being able to bear up any longer under the affliction, would sink and faint, or be "overwhelmed", as the word F3 signifies: and the souls which I have made;
which are of God's immediate creation, and which are also renewed by his grace, and made new creatures. The proselytes Abraham made are called the souls he made in Haran, ( Genesis 12:5 ) , much more may this be said of the Father of spirits, the author both of the old and new creation. The Lord knowing the weakness of the human frame, therefore restrains his hand, or moderates or removes the affliction; see a like reason in ( Psalms 78:38 ) ( Psalms 103:9 Psalms 103:13 Psalms 103:14 ) , the last days of trouble to God's people, which will be the time of the slaying of the witnesses, will be such that if they are not shortened, no flesh can be saved, but for the elect's sake they will be shortened, ( Matthew 24:22 ) .


FOOTNOTES:

F3 (Pwjey) "obrueretur", Junius & Tremellius, Vitriuga; "in deliquium incideret", Piscator, Gataker.

Jesaja 57:16 In-Context

14 En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg Mijns volks.
15 Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
16 Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten.
18 Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.