Psalmen 140:1-10

1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
2 Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;
3 Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
4 Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
5 Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
6 De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
7 Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.
8 HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.
9 Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
10 Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.

Psalmen 140:1-10 Meaning and Commentary

To the chief Musician, A Psalm of David. This psalm, A ben Ezra says, was composed by David before he was king; and Kimchi says, it is concerning Doeg and the Ziphites, who calumniated him to Saul; and, according to our English contents, it is a prayer of David to be delivered from Saul and Doeg. The Syriac inscription is, "said by David, when Saul threw a javelin at him to kill him, but it struck the wall; but, spiritually, the words of him that cleaves to God, and contends with his enemies." R. Obadiah says, it was made at the persecution of David by Saul, which was before the kingdom of David; as the persecution (of Gog) is before the coming of the Messiah. It is indeed before his spiritual coming, but not before his coming in the flesh; and David may be very well considered in the psalm as a type of Christ, for he was particularly so in his sufferings, as well as in other things.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.