4
En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
5
Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.
6
En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7
En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
8
En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.