Genesis 24:8

8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.

Genesis 24:8 Meaning and Commentary

Genesis 24:8

And if the woman will not be willing to follow thee
Or "but" if F13, which is said by Abraham, not as doubting she would be willing, of which he was satisfied, being persuaded that that God that had made him willing to leave his own country, and his father's house, would make her willing to do the like, and come and settle with his son in the land that God had given him; but this, and what follows, he said to make the mind of his servant easy, who had some doubt about it, or however was desirous of knowing how he must act should that be the case; and what it was he was to take an oath to do, and how far, and how far not, that would oblige him: then thou shalt be clear from this my oath;
which he enjoined his servant to take; the sense is, when he had done all he could to get the consent of the damsel, and her friends, to go with him and marry his master's son; and after all she could not be prevailed upon to come with him, then he was free from his oath, having done all that that obliged him to, and he not attempting to take one from any other quarter: only bring not my son thither again;
neither agree with the damsel and her parents, that he shall come to them, nor persuade him to comply with such terms.


FOOTNOTES:

F13 (Maw) "sin autem", V. L.

Genesis 24:8 In-Context

6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!
7 De HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.
8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.
9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.
10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamie, naar de stad van Nahor.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.