Genesis 29:6

6 Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.

Genesis 29:6 Meaning and Commentary

Genesis 29:6

And he said unto them, [is] he well?
&c.] In good health, he and his family, or "is peace unto him" F2; does he enjoy prosperity and happiness? for this word was used in the eastern nations, and still is, for all kind of felicity: and they said, [he is] well;
or has peace; he and his family are in good health, enjoying all the comforts and blessings of life: and, behold, Rachel his daughter cometh with the sheep;
at that very instant she was coming out of the city with her father's flock of sheep, to water them at the well; an instance of great humility, diligence, and simplicity; this was very providential to Jacob.


FOOTNOTES:

F2 (wl Mwlvh) "nunquid pax ei", Montanus, Vatablus, Fagius, Cartwright, Schmidt.

Genesis 29:6 In-Context

4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
5 En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
6 Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
7 En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.
8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.