11
Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.
12
Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.
13
Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.
14
Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.
15
En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.