10
De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
11
De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12
De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
13
De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
14
De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;