Try out the new BibleStudyTools.com. Click here!

Genesis 11 SVV/NIV - Online Parallel Bible

 
  Search
Statenvertaling (Dutch) (SVV) New International Version (NIV)
1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. 1 Now the whole world had one language and a common speech.
2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar. 2 As men moved eastward, they found a plain in Shinar and settled there.
3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. 3 They said to each other, "Come, let's make bricks and bake them thoroughly." They used brick instead of stone, and tar for mortar.
4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! 4 Then they said, "Come, let us build ourselves a city, with a tower that reaches to the heavens, so that we may make a name for ourselves and not be scattered over the face of the whole earth."
5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden. 5 But the LORD came down to see the city and the tower that the men were building.
6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? 6 The LORD said, "If as one people speaking the same language they have begun to do this, then nothing they plan to do will be impossible for them.
7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore. 7 Come, let us go down and confuse their language so they will not understand each other."
8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. 8 So the LORD scattered them from there over all the earth, and they stopped building the city.
9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde. 9 That is why it was called Babel--because there the LORD confused the language of the whole world. From there the LORD scattered them over the face of the whole earth.
10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed. 10 This is the account of Shem. Two years after the flood, when Shem was 100 years old, he became the father of Arphaxad.
11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 11 And after he became the father of Arphaxad, Shem lived 500 years and had other sons and daughters.
12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah. 12 When Arphaxad had lived 35 years, he became the father of Shelah.
13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 13 And after he became the father of Shelah, Arphaxad lived 403 years and had other sons and daughters.
14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber. 14 When Shelah had lived 30 years, he became the father of Eber.
15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 15 And after he became the father of Eber, Shelah lived 403 years and had other sons and daughters.
16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg. 16 When Eber had lived 34 years, he became the father of Peleg.
17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 17 And after he became the father of Peleg, Eber lived 430 years and had other sons and daughters.
18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu. 18 When Peleg had lived 30 years, he became the father of Reu.
19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 19 And after he became the father of Reu, Peleg lived 209 years and had other sons and daughters.
20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug. 20 When Reu had lived 32 years, he became the father of Serug.
21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 21 And after he became the father of Serug, Reu lived 207 years and had other sons and daughters.
22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor. 22 When Serug had lived 30 years, he became the father of Nahor.
23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 23 And after he became the father of Nahor, Serug lived 200 years and had other sons and daughters.
24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah. 24 When Nahor had lived 29 years, he became the father of Terah.
25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 25 And after he became the father of Terah, Nahor lived 119 years and had other sons and daughters.
26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 26 After Terah had lived 70 years, he became the father of Abram, Nahor and Haran.
27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot. 27 This is the account of Terah. Terah became the father of Abram, Nahor and Haran. And Haran became the father of Lot.
28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeen. 28 While his father Terah was still alive, Haran died in Ur of the Chaldeans, in the land of his birth.
29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. 29 Abram and Nahor both married. The name of Abram's wife was Sarai, and the name of Nahor's wife was Milcah; she was the daughter of Haran, the father of both Milcah and Iscah.
30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind. 30 Now Sarai was barren; she had no children.
31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. 31 Terah took his son Abram, his grandson Lot son of Haran, and his daughter-in-law Sarai, the wife of his son Abram, and together they set out from Ur of the Chaldeans to go to Canaan. But when they came to Haran, they settled there.
32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. 32 Terah lived 205 years, and he died in Haran.