Jesaja 3:7

7 Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.

Jesaja 3:7 Meaning and Commentary

Isaiah 3:7

In that day shall he swear
Or "lift up", that is, his hand F5, which was a gesture used in swearing, and therefore is so rendered; the meaning is, that he shall at once immediately give an answer, and for the solemn confirmation of it shall say an oath with it, saying, I will not be a healer,
or "a binder"; that is, of wounds, of political wounds, made in the nation, and which were incurable. See ( Isaiah 1:6 ) for the meaning is, that he neither was fit to be, nor could he be, a healer of the distempered state of the nation, it was so desperately bad. The Targum is,

``I am not fit to be a head or governor;''
and so Kimchi explains it of a governor, who, he says, is so called, because he binds and imprisons those that transgress his commands; and to this sense Jarchi and Abarbinel: for in my house [is] neither bread nor clothing;
not a sufficiency of either to support such grandeur and dignity; not enough to keep a proper table, and a suitable equipage: make me not a ruler of the people;
this shows that the state of the nation must be very bad indeed, that men, who are naturally ambitious of power and honour, should refuse government when offered to them.
FOOTNOTES:

F5 (avy) "attollet manum", Piscator.

Jesaja 3:7 In-Context

5 En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.
6 Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;
7 Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.
8 Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.
9 Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.