27
Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
28
En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,
29
En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30
En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,
31
En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.