Deuteronomium 32:52

52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geven zal.

Deuteronomium 32:52 Meaning and Commentary

Deuteronomy 32:52

Yet thou shalt see the land before [thee]
Which Jarchi interprets, afar off; and so does Noldius F3; he saw it at a distance, as the Old Testament saints saw the things promised afar off, and were persuaded of them, though they did not enjoy them, ( Hebrews 11:13 ) :

but thou shalt not go thither unto the land which I give the children
of Israel;
the land of Canaan was a gift of God to Israel, into which they were not to be introduced by Moses, but by Joshua; signifying that eternal life, or the heavenly Canaan, is the gift of God through Christ, the antitype of Joshua, and not to obtained by the works of the law.


FOOTNOTES:

F3 Ebr. part. Concord. p. 626. so Ainsworth.

Deuteronomium 32:52 In-Context

50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
51 Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israels.
52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geven zal.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.