7
Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.
8
Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
9
Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.
10
Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.
11
En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.