Genesis 48:16

16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!

Genesis 48:16 Meaning and Commentary

Genesis 48:16

The Angel which redeemed me from all evil, bless the lads,
&c.] Ephraim and Manasseh, now about twenty years old or upwards: this is not to be understood of a created angel he wishes to be their guardian, but of an eternal one, the Son of God, the Angel of God's presence, the Angel of the covenant; the same with the God of his father before mentioned, as appears by the character he gives him, as having "redeemed [him] from all evil"; not only protected and preserved him from temporal evils and imminent dangers from Esau, Laban, and others; but had delivered him from the power, guilt, and punishment of sin, the greatest of evils, and from the dominion and tyranny of Satan the evil one, and from everlasting wrath, ruin, and damnation; all which none but a divine Person could do, as well as he wishes, desires, and prays, that he would "bless" the lads with blessings temporal and spiritual, which a created angel cannot do; and Jacob would never have asked it of him: and let my name be named on them, and the name of my fathers Abraham
and Isaac;
having adopted them, he foretells they would be called not only the sons of Joseph, but the children of Israel or Jacob, and would have a name among the tribes of Israel, and be heads of them, as well as would be called the seed of Abraham and of Isaac, and inherit their blessings: and let them grow into a multitude in the midst of the earth; where they increased as fishes, as the word signifies F19, and more than any other of the tribes; even in the times of Moses the number of them were 85,200 men fit for war, ( Numbers 26:34 Numbers 26:37 ) ; and their situation was in the middle of the land of Canaan.


FOOTNOTES:

F19 (wgdyw) "et instar piscium sint", Pagninus, Montanus; so Junius & Tremellius, Piscator, Ainsworth, and the Targum of Onkelos, and Jarchi.

Genesis 48:16 In-Context

14 Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
15 En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.
18 En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.