Genesis 17:1-6

1 Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.
3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:
4 Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!
5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.
6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.

Genesis 17:1-6 Meaning and Commentary

INTRODUCTION TO GENESIS 17

This chapter treats of a covenant made with Abram, sometimes called the covenant of circumcision, the time when God appeared to him, and promised to make it, and did, Ge 17:1-3; the particulars of it, both with respect to himself, whose name was now changed, and to his posterity, Ge 17:4-8; the token of it, circumcision, the time of its performance, and the persons obliged to it, Ge 17:9-14; the change of Sarai's name, and a promise made that she should have a son, to the great surprise of Abraham, Ge 17:15-17; a prayer of his for Ishmael, and the answer to it, with a confirmation of Sarah's having a son, whose name should be called Isaac, and the establishment of the covenant with him, Ge 17:18-22; and the chapter is closed with an account of the circumcision of Abraham, and all his family of the male sort, agreeably to the command of God, Ge 17:23-27.

The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.