15
Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.
16
En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,
17
Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
18
Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;
19
En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.