Psalmen 126; Psalmen 127; Psalmen 128; 1 Corinthiërs 10:19-33

1 Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen. 2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan. 3 De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. 4 O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. 5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. 6 Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.
1 Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. 2 Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft. 3 Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning. 4 Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd. 5 Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
1 Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt. 2 Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan. 3 Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel. 4 Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest. 5 De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; 6 En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? 20 Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. 21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen. 22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij? 23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is. 25 Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil; 26 Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve. 27 En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil. 28 Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve. 29 Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten? 30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg? 31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods. 32 Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods. 33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice