Psalmen 84; Psalmen 85; Psalmen 86; Romeinen 12

1 Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen! 3 Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God. 4 Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God! 5 Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela. 6 Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. 7 Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. 8 Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. 9 HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela. 10 O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden. 11 Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. 12 Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. [ (Psalms 84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ]
1 Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend. 3 De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela. 4 Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns. 5 Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons. 6 Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? 7 Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? 8 Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil. 9 Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren. 10 Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone. 11 De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen. 12 De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien. 13 Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
1 Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig. 2 Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt. 3 Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag. 4 Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel. 5 Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen. 6 HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen. 7 In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij. 8 Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken. 9 Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren. 10 Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God. 11 Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams. 12 Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid; 13 Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt. 14 O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen. 15 Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. 16 Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd. 17 Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.
1 Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. 2 En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. 3 Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft. 4 Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; 5 Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. 6 Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, 7 Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; 8 Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande. 11 Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere. 12 Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. 13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 14 Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet. 15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden. 16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. 17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen. 18 Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. 19 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. 20 Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen. 21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.