Job 32; Job 33; Handelingen 14

1 Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden. 4 Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. 5 Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn. 6 Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen. 7 Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven. 8 Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig. 9 De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. 10 Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen. 11 Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt. 12 Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde; 13 Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens. 14 Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden. 15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet. 16 Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer. 17 Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen. 18 Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij. 19 Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zou hij bersten. 20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden. 21 Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike! 22 Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.
1 En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. 2 Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. 4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. 5 Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u. 6 Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. 7 Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn. 8 Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord; 9 Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad. 10 Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. 11 Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar. 12 Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens. 13 Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden. 14 Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop. 15 In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; 16 Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; 17 Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge; 18 Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; 20 Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; 21 Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; 22 En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. 23 Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; 24 Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. 25 Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren. 26 Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven. 27 Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. 29 Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man; 30 Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden. 31 Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 33 Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1 En het geschiedde te Ikonium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde. 2 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. 3 Zij verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den Heere, Die getuigenis gaf aan het Woord Zijner genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen. 4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen. 5 En als er een oploop geschiedde, beiden van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen, en hen te stenigen, 6 Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonie, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; 7 En verkondigden aldaar het Evangelie. 8 En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld. 9 Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden, 10 Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde. 11 En de scharen, ziende, hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen. 12 En zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. 13 En de priester van Jupiter, die voor hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen. 14 Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun klederen, en sprongen onder de schare, roepende, 15 En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is; 16 Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen; 17 Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid. 18 En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochie en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was. 20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, en Ikonium, en Antiochie; 22 Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. 23 En als zij in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden. 24 En Pisidie doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylie. 25 En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalie. 26 En van daar scheepten zij af naar Antiochie, van waar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. 27 En daar gekomen zijnde, en de Gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs geopend had. 28 En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen.