Psalmen 146; Psalmen 147; Psalmen 148; Psalmen 149; Psalmen 150

1 Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE. 2 Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 3 Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen. 5 Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is; 6 Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid. 7 Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los. 8 De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief. 9 De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om. 10 De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!
1 Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk. 2 De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen. 3 Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. 4 Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen. 5 Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal. 6 De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe. 7 Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp. 8 Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten; 9 Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen. 10 Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans. 11 De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 12 O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God. 13 Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u. 14 Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe. 15 Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel. 16 Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as. 17 Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude? 18 Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen. 19 Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten. 20 Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
1 Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen! 2 Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen! 3 Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren! 4 Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt! 5 Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen. 6 En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden. 7 Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden! 8 Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet! 9 Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen! 10 Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte! 11 Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde! 12 Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen! 13 Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel. 14 En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!
1 Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten. 2 Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning. 3 Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp. 4 Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil. 5 Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers. 6 De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand; 7 Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; 8 Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien; 9 Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!
1 Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte! 2 Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid! 3 Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp! 4 Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel! 5 Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid! 6 Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice