Job 17; Job 18; Job 19; Job 20

1 Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij. 2 Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering? 3 Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde. 4 Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen. 5 Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten. 6 Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. 7 Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw. 8 De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken; 9 En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen. 10 Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze. 11 Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten. 12 Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis. 13 Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. 14 Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! 15 Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? 16 Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.
1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide: 2 Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen? 4 O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats? 5 Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. 6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. 7 De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen. 8 Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. 9 De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. 10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten. 12 Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. 13 De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. 14 Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen. 15 Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden. 16 Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. 18 Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. 20 Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. 21 Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij. 4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten. 5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft; 6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. 7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht. 8 Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. 9 Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen. 10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt. 11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden. 12 Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent. 13 Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. 14 Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. 15 Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. 16 Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. 17 Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil. 18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen. 19 Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd. 20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden. 21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt. 22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees? 23 Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend! 24 Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden! 25 Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; 26 En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; 27 Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. 28 Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt. 29 Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
1 Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide: 2 Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij. 3 Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden. 4 Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft, 5 Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik? 6 Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; 7 Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? 8 Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts. 9 Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen. 10 Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren. 11 Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal. 12 Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong, 13 Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt; 14 Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn. 15 Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven. 16 Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden. 17 De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien. 18 Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen. 19 Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had; 20 Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden. 21 Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed. 22 Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen. 23 Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze. 24 Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten. 25 Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn. 26 Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan. 27 De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. 28 De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns. 29 Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice