Psalmen 33; Psalmen 34; Handelingen 24

1 Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten. 2 Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument. 3 Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal. 4 Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw. 5 Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN. 6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir. 7 Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren. 8 Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. 9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. 10 De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken. 11 Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht. 12 Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. 13 De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen. 14 Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. 15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken. 16 Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; 17 Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. 18 Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 19 Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger. 20 Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild. 21 Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen. 22 Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.
1 Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. 2 Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn. 3 Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn. 4 Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen. 5 Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered. 6 He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. 7 Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. 8 Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. 9 Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. 10 Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11 Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 12 Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren. 13 Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? 14 Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken. 15 Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na. 16 Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. 17 Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. 18 Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19 Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest. 20 Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE. 21 Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken. 22 Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. [ (Psalms 34:23) De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. ]
1 En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten deze volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw bescheidenheid, kortelijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de ganse wereld, en een oppersten voorstander van de sekte der Nazarenen. 6 Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen. 7 Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht; 8 Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van dewelken gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzo waren. 10 Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt geweest, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed. 11 Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem; 12 En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad; 13 En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is; 15 Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen. 16 En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen. 17 Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden. 18 Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azie; 19 Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij. 20 Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond; 21 Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld! 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken. 23 En hij beval den hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 25 En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen. 26 En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.