Spreuken 30; Spreuken 31; 2 Corinthiërs 11:1-15

1 De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal. 2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand; 3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend. 4 Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet? 5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen. 6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt. 7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve: 8 Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels; 9 Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste. 10 Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt. 11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent; 12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is; 13 Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn; 14 Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren. 15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg! 16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg! 17 Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten. 18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: 19 De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd. 20 Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht! 21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: 22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is; 23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw. 24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien. 25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs. 26 De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen. 27 De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen. 28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen. 29 Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken; 30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren; 31 Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is. 32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond! 33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
1 De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees. 2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften? 3 Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen. 4 Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren; 5 Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere. 6 Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn; 7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke. 8 Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden. 9 Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht. 10 Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen. 11 Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken. 12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens. 13 Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen. 14 He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen. 15 Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel. 16 Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. 17 Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen. 18 Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit. 19 Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok. 20 Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige. 21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed. 22 Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper. 23 Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands. 24 Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen. 25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag. 26 Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid. 27 Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet. 28 Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: 29 Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven. 30 Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden. 31 Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
1 Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij! 2 Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. 3 Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is. 4 Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht. 5 Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen. 6 En indien ik ook slecht ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb? 8 Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. 9 Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonie kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzo houden. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het! 12 Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij. 13 Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts. 15 Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice