Job 24; Job 25; Job 26; Job 27; Job 28

1 Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? 2 Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze. 3 Den ezel der wezen drijven zij weg; den os ener weduwe nemen zij te pand. 4 Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands. 5 Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijs, en den jongeren. 6 Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des goddelozen lezen zij af. 7 Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. 8 Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen. 9 Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand. 10 Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen. 11 Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig. 12 Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel der verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds. 13 Zij zijn onder de wederstrevers des lichts; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. 14 Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief. 15 Ook neemt het oog des overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. 16 In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet. 17 Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw. 18 Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden. 19 De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben. 20 De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. 21 De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds. 22 Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker. 23 Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen. 24 Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden. 25 Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?
1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide: 2 Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten. 3 Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op? 4 Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is? 5 Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. 6 Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt? 4 Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan? 5 De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners. 6 De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. 7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. 8 Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet. 9 Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover. 10 Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis. 11 De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden. 12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. 14 Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide: 2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! 3 Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus; 4 Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken! 5 Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen. 6 Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen. 7 Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. 8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? 9 Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? 10 Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd? 11 Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen. 12 Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? 13 Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen. 14 Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. 15 Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. 16 Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; 17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. 18 Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt. 19 Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. 20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. 22 En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden. 23 Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
1 Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3 Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods. 4 Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg. 5 Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. 6 Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7 De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien. 8 De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. 9 Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om. 10 In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11 Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12 Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands? 13 De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. 14 De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15 Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier. 17 Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud. 18 De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen. 19 Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20 Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands? 21 Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. 22 Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 23 God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. 24 Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen. 25 Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; 26 Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen; 27 Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze. 28 Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice