URGENT: Hurricane Dorian Victims Need Your Help

Job 36; Job 37; Handelingen 15:22-41

1 Elihu ging nog voort, en zeide: 2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen. 4 Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u. 5 Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten. 6 Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij. 7 Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven. 8 En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende; 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben; 10 En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden. 11 Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden. 12 Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis. 13 En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft. 14 Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens. 15 Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren. 16 Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn. 17 Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast. 18 Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen. 19 Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht? 20 Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden. 21 Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren heb, uit oorzake van de ellende. 22 Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij? 23 Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan? 24 Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen. 25 Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre. 26 Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren. 27 Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten; 28 Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen. 29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte? 30 Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij. 31 Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede. 32 Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt. 33 Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
1 Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats. 2 Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! 3 Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde. 4 Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. 5 God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. 6 Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen. 7 Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks. 8 En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen. 9 Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude. 10 Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden. 11 Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts. 12 Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde. 13 Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt. 14 Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods. 15 Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen? 16 Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen? 17 Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden? 18 Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel? 19 Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis. 20 Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden. 21 En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert; 22 Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit! 23 Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet. 24 Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
22 Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochie: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders. 23 En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochie, en Syrie, en Cilicie zijn, zaligheid. 24 Nademaal wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden; 25 Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus. 26 Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: 29 Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel. 30 Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochie; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. 31 En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting. 32 Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen. 33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen. 34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven. 35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochie, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren. 36 En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried, dat zij Johannes, die toegenaamd is Markus, zouden medenemen. 38 Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylie af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam, en naar Cyprus afscheepte; 40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde. 41 En hij doorreisde Syrie en Cilicie, versterkende de Gemeenten.