Job 40; Job 41; Job 42

1 En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide: 2 Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 3 Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt? 4 Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! 6 Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem! 7 Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats! 8 Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen! 9 Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben. 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? 20 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken? 21 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? 22 Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken? 23 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf? 24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
1 Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? 2 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne. 3 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 4 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen? 5 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 6 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 7 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. 10 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 11 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel. 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. 13 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. 14 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen. 16 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich. 17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. 18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk. 22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden. 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 25 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren. 26 27 28 29 30 31 32 33 34
1 Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist. 4 Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij. 5 Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. 6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. 7 Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. 8 Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan. 10 En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel. 11 Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel. 12 En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. 13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren. 14 En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-Happuch. 15 En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen. 16 En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten. 17 En Job stierf, oud en der dagen zat.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice