Job 5; Job 6; Job 7; Handelingen 8:1-25

1 Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? 2 Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte. 3 Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning. 4 Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser. 5 Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in. 6 Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; 7 Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen. 8 Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten; 9 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; 10 Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten; 11 Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden. 12 Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. 13 Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt. 14 Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag. 15 Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken. 16 Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe. 17 Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet. 18 Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. 19 In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. 20 In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards. 21 Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt. 22 Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen. 23 Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn. 24 En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen. 25 Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde. 26 Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt. 27 Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! 3 Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. 4 Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. 5 Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze. 8 Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; 9 En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! 10 Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden. 11 Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou? 12 Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? 13 Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven? 14 Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten. 15 Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door; 16 Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt. 17 Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats. 18 De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan. 19 De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. 20 Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood. 21 Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd. 22 Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? 23 Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen? 24 Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. 25 O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is? 26 Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn? 27 Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend. 28 Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege. 29 Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn. 30 Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
1 Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners? 2 Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon; 3 Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid. 4 Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd. 5 Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden. 6 Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7 Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. 8 Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. 9 Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen. 10 Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen. 11 Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel. 12 Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet? 13 Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen; 14 Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij; 15 Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen. 16 Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid. 17 Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet? 18 En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft? 19 Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge? 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij? 21 En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
1 En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen. 2 En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave en maakten groten rouw over hem. 3 En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. 4 Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord. 5 En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. 6 En de scharen hielden zich eendrachtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed. 7 Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. 8 En er werd grote blijdschap in die stad. 9 En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zichzelven, dat hij wat groots was. 10 Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes; 15 Dewelken, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten. 16 (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.) 17 Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18 En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, 19 Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange. 20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! 21 Gij hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw hart is niet recht voor God. 22 Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd. 23 Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid. 24 Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. 25 Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.