Spreuken 6; Spreuken 7; 2 Corinthiërs 2

1 Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; 2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds. 3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste. 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. 5 Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7 Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst. 9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. 12 Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om; 13 Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren; 14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in. 15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. 16 Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: 17 Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; 18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; 19 Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt. 20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet. 21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. 22 Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken. 23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens; 24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong. 25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden. 26 Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. 27 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? 28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? 29 Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden. 30 Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft; 31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis. 32 Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; 33 Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. 34 Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen. 35 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.
1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. 2 Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen. 3 Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten. 4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend; 5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit. 6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; 7 En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling; 8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; 10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11 Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem: 14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald; 15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17 Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt; 18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; 20 Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen. 22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien. 23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is. 24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds. 25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. 26 Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. 27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
1 Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zou. 2 Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden? 3 En ditzelfde heb ik u geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is. 4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb. 5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen. 6 Den zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is. 7 Alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden. 8 Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hem bevestigt. 9 Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. 10 Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge; 11 Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorts, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heere, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; 13 Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonie. 14 En Gode zij dank, Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 15 Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 16 Dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? 17 Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice