Change Translation
- Recent Translations
-
Audio Available
- All Translations
-
Audio Available
Psalmen 102; Psalmen 103; Psalmen 104
Viewing Multiple Passages
Share
Settings
Psalmen 102
1
Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
2
O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
3
Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.
4
Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.
5
Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
6
Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.
7
Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.
8
Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
9
Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
10
Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
11
Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.
12
Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
13
Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.
14
Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
15
Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
16
Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.
17
Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
18
Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;
19
Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;
20
Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;
21
Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
22
Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
23
Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.
24
Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.
25
Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
26
Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;
27
Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
28
Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden. [ (Psalms 102:29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. ]
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.
Psalmen 103
1
Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.
2
Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;
3
Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;
4
Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;
5
Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.
6
De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
7
Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels Zijn daden.
8
Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
9
Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.
10
Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
11
Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
12
Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
13
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.
14
Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
15
De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.
16
Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
17
Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
18
Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.
19
De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
20
Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.
21
Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!
22
Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.
Psalmen 104
1
Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
2
Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
3
Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
4
Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
5
Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
6
Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
7
Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
8
De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
9
Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
10
Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
11
Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
12
Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
13
Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
14
Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
15
En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
16
De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
17
Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
18
De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
19
Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
20
Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
21
De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
22
De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
23
De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
24
Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
25
Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
26
Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
27
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28
Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
29
Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
30
Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
31
De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
32
Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
33
Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
34
Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
35
De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
The Dutch Staten Vertaling translation is in the public domain.