Spreuken 27; Spreuken 28; Spreuken 29; 2 Corinthiërs 10

1 Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren. 2 Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen. 3 Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide. 4 Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan? 5 Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde. 6 De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden. 7 Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. 8 Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. 9 Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel. 10 Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is. 11 Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb. 12 De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft. 13 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw. 14 Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden. 15 Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk. 16 Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept. 17 Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten. 18 Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden. 19 Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens. 20 De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd. 21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven. 22 Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken. 23 Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden. 24 Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? 25 Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. 26 De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds. 27 Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
1 De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw. 2 Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen. 3 Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij. 4 Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen. 5 De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles. 6 De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk. 7 Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader. 8 Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt. 9 Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. 10 Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven. 11 Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem. 12 Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht. 13 Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. 14 Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen. 15 De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt. 16 Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen. 17 Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet! 18 Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen. 19 Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden. 20 Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen. 21 De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden. 22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal. 23 Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit. 24 Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel. 25 Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden. 26 Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen. 27 Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden. 28 Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.
1 Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij. 2 Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk. 3 Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door. 4 Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve. 5 Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen. 6 In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde. 7 De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet. 8 Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af. 9 Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust. 10 Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel. 11 Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts. 12 Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos. 13 De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen. 14 Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden. 15 De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder. 16 Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien. 17 Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven. 18 Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. 19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden. 20 Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem. 21 Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn. 22 Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding. 23 De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. 24 Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen. 25 De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden. 26 Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE. 27 Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
1 Voorts ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u; 2 Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde, niet stout moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, alsof wij naar het vlees wandelden. 3 Want wandelende in het vlees, voeren wij den krijg niet naar het vlees; 4 Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten; 5 Dewijl wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 6 En gereed hebben, hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij aan wat voor ogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus is, alzo ook wij van Christus zijn. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden; 9 Opdat ik niet zou schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zodanigen zijn inderdaad, als wij tegenwoordig zijn. 12 Want wij durven onszelven niet rekenen of vergelijken met sommigen, die zichzelven prijzen; maar deze verstaan niet, dat zij zichzelven met zichzelven meten, en zichzelven met zichzelven vergelijken. 13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat des regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken onszelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus; 15 Niet roemende buiten de maat in anderer lieden arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel; 16 Om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen, die op gene zijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen alrede bereid is. 17 Doch wie roemt, die roeme in den Heere. 18 Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice