Spreuken 25; Spreuken 26; 2 Corinthiërs 9

1 Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben. 2 Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden. 3 Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding. 4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen; 5 Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden. 6 Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten; 7 Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben. 8 Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben. 9 Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet; 10 Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden. 11 Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud. 13 Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel. 14 Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is. 15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente. 16 Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt. 17 Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate. 18 Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl. 19 Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet. 20 Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter. 21 Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; 22 Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden. 23 De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong. 24 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. 25 Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel. 26 De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader. 27 Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer. 28 Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
1 Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet. 2 Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen. 3 Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten. 4 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt. 5 Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij. 6 Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot. 7 Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten. 8 Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft. 9 Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten. 10 De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders. 11 Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid. 12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem. 13 De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten. 14 Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed. 15 De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen. 16 De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden. 17 De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt. 18 Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt; 19 Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede? 20 Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild. 21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken. 22 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks. 23 Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen. 24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan. 25 Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. 26 Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden. 27 Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren. 28 Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
1 Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven. 2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniers, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt. 3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn; 4 En dat niet mogelijk, zo de Macedoniers met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in deze vasten grond der roeming. 5 Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid. 6 En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. 7 Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief. 8 En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. 9 Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. 10 Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid; 11 Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; 13 Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen; 14 En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice