Spreuken 16; Spreuken 17; Spreuken 18; 2 Corinthiërs 6

1 De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE. 2 Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten. 3 Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden. 4 De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads. 5 Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. 6 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade. 7 Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen. 8 Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht. 9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang. 10 Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht. 11 Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk. 12 Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. 13 De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt. 14 De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen. 15 In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens. 16 Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver! 17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart. 18 Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val. 19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen. 20 Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig. 21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen. 22 Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid. 23 Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen. 24 Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente. 25 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods. 26 De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem. 27 Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur. 28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend. 29 Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is. 30 Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad. 31 De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden. 32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt. 33 Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
1 Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist. 2 Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen. 3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten. 4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong. 5 Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn. 6 De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen. 7 Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip. 8 Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen. 9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend. 10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan. 11 Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden. 12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid. 13 Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken. 14 Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt. 15 Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden. 16 Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft? 17 Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. 18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste. 19 Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking. 20 Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen. 21 Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden. 22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen. 23 De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen. 24 In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde. 25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft. 26 Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is. 27 Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest. 28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
1 Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid. 2 De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt. 3 Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid. 4 De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek. 5 Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen. 6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. 7 De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel. 8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks. 9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger. 10 De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden. 11 Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding. 12 Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer. 13 Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. 14 De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen? 15 Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap. 16 De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten. 17 Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. 18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen. 19 Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis. 20 Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen. 21 Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten. 22 Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE. 23 De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen. 24 Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
1 En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. 2 Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid! 3 Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde. 4 Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, 5 In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, 6 In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, 7 In het woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter en aan de linker zijde; 8 Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen; 9 Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; 10 Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiers, ons hart is uitgebreid. 12 Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uw ingewanden. 13 Nu, om dezelfde vergelding te doen,, ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt gij ook uitgebreid. 14 Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige? 16 Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. 17 Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. 18 En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice