Spreuken 3; Spreuken 4; Spreuken 5; 2 Corinthiërs 1

1 Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. 2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen. 3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten. 4 En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen. 5 Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. 6 Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. 7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade. 8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen. 9 Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten; 10 Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen. 11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; 12 Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft. 13 Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! 14 Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. 15 Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. 16 Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. 17 Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede. 18 Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig. 19 De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. 20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw. 21 Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. 22 Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals. 23 Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten. 24 Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen. 25 Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt. 26 Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden. 27 Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen. 28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is. 29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 30 Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft. 31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen. 32 Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte. 33 De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen. 34 Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven. 35 De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
1 Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten. 2 Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet. 3 Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder. 4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef. 5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds. 6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. 7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. 8 Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult. 9 Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. 10 Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden. 11 Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. 12 In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen. 13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. 14 Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen. 15 Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. 16 Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen. 17 Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld. 18 Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. 19 De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen. 20 Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. 21 Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. 22 Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees. 23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. 24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u. 25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. 26 Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. 27 Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
1 Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; 2 Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren. 3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. 4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast. 6 Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. 7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds. 8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede; 10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; 11 En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! 14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering! 15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; 17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; 19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen? 21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen. 22 Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden. 23 Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: 2 Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. 3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting; 4 Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden. 5 Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. 6 Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden, hetwelk wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid; 7 En onze hoop van u is vast, als die weten, dat, gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting. 8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking, die ons in Azie overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. 9 Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; 10 Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. 11 Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde. 12 Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden. 13 Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die gij kent, of ook erkent; en ik hoop, dat gij ze ook tot het einde toe erkennen zult; 14 Gelijkerwijs gij ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt, in den dag van den Heere Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij een tweede genade zoudt hebben; 16 En door uw stad naar Macedonie gaan, en wederom van Macedonie tot u komen, en van ulieden naar Judea geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor, hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zou wezen, ja, ja, en neen, neen? 18 Doch God is getrouw, dat ons woord, hetwelk tot u is geschied, niet is geweest ja en neen. 19 Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheus, was niet ja en neen, maar is geweest ja in Hem. 20 Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. 21 Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; 22 Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. 23 Doch ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice