Spreuken 13; Spreuken 14; Spreuken 15; 2 Corinthiërs 5

1 Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet. 2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld. 3 Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet. 4 De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden. 5 De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan. 6 De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren. 7 Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed. 8 Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet. 9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden. 10 Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid. 11 Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen. 12 De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens. 13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden. 14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. 15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng. 16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit. 17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn. 18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden. 19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken. 20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden. 21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden. 22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd. 23 Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel. 24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging. 25 De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.
1 Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen. 2 Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem. 3 In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen. 4 Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel. 5 Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens. 6 De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht. 7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken. 8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij. 9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid. 10 Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen. 11 Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien. 12 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods. 13 Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid. 14 Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven. 15 De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang. 16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos. 17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. 18 De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen. 19 De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen. 20 De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele. 21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig. 22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten. 23 In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek. 24 Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid. 25 Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger. 26 In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen. 27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. 28 In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring. 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid. 30 Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen. 31 Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem. 32 De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood. 33 Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend. 34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien. 35 Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen. 2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit. 3 De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. 4 De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest. 5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen. 6 In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte. 7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo. 8 Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen. 9 De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben. 10 De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven. 11 De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen? 12 De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen. 13 Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen. 14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden. 15 Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd. 16 Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij. 17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij. 18 Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen. 19 De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand. 20 Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder. 21 De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen. 22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan. 23 Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd! 24 De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden. 25 Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten. 26 Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen. 27 Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven. 28 Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten. 29 De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren. 30 Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet. 31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten. 32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand. 33 De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
1 Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. 3 Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. 5 Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. 6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere; 7 (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.) 8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn. 10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 11 Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn. 12 Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Christus dringt ons; 15 Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 16 Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. 17 Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 18 En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. 21 Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice