Spreuken 22; Spreuken 23; Spreuken 24; 2 Corinthiërs 8

1 De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud. 2 Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt. 3 Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft. 4 Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven. 5 Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken. 6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken. 7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht. 8 Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen. 9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven. 10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden. 11 Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning. 12 De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren. 13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden! 14 De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen. 15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen. 16 Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek. 17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap; 18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden. 19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend. 20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap? 21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden. 22 Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort. 23 Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven. 24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man; 25 Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt. 26 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn. 27 Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen? 28 Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben. 29 Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
1 Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is. 2 En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt; 3 Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood. 4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft 5 Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt. 6 Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen; 7 Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u; 8 Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven. 9 Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten. 10 Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet; 11 Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten. 12 Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap. 13 Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. 14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden 15 Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik. 16 En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen. 17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN. 18 Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden. 19 Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg 20 Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters; 21 Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen 22 Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is. 23 Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand. 24 De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden. 25 Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft. 26 Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren. 27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put. 28 Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen. 29 Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen? 30 Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken. 31 Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat; 32 In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder. 33 Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken. 34 En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt. 35 Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!
1 Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn. 2 Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite. 3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd; 4 En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed. 5 Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast. 6 Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning. 7 Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen. 8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen. 9 De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel. 10 Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw. 11 Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt. 12 Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk. 13 Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte. 14 Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden. 15 Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet. 16 Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen. 17 Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen; 18 Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere. 19 Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen. 20 Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden. 21 Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan; 22 Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang? 23 Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed. 24 Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn. 25 Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen. 26 Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt. 27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis. 28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip? 29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. 30 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens; 31 En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken. 32 Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan; 33 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende; 34 Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
1 Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is. 2 Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest; 4 Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt. 5 En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God. 6 Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou. 7 Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. 9 Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. 10 En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt. 12 Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking; 14 Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde. 15 Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. 16 Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; 17 Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; 19 En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds; 20 Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend; 21 Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten.
California - Do Not Sell My Personal Information  California - CCPA Notice