URGENT: Hurricane Dorian Victims Need Your Help

Job 38; Job 39; Job 40; Handelingen 16:1-21

1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide: 2 Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap? 3 Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. 4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. 5 Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? 6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? 7 Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten. 8 Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? 9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek; 10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; 11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven. 12 Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen; 13 Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden? 14 Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed? 15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken? 16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld? 17 Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods? 18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet. 19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats? 20 Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes? 21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal. 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien? 23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs! 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen. 28 Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws? 29 Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels? 30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat. 31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken? 32 Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden? 33 Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen? 34 Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke? 35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij? 36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven? 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen? 38 Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven? 39 40 41
1 Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen? 2 Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering? 3 Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? 4 Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? 5 Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren? 6 Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 7 Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve. 8 Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost? 9 Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. 10 Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet. 11 Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 12 Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe? 13 Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? 14 Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten? 15 Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer? 16 Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? 17 Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 18 En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? 19 Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. 20 Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. 21 Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. 22 Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? 23 Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. 24 Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet. 25 Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. 26 Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans. 27 Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. 28 In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich. 29 Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden? 30 Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
1 En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide: 2 Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 3 Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt? 4 Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! 6 Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem! 7 Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats! 8 Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen! 9 Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben. 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? 20 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken? 21 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? 22 Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken? 23 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf? 24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
1 En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name Timotheus, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Grieksen vader; 2 Welken goeden getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Ikonium. 3 Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was. 4 En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. 5 De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. 6 En als zij Frygie, en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azie te spreken. 7 En aan Mysie gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynie te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. 8 En zij, Mysie voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas. 9 En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonie, en help ons. 10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonie te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en den volgende dag naar Neapolis. 12 En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonie, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. 13 En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren. 14 En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons. 16 En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haar heren groot gewin toebracht met waarzeggen. 17 Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelfder ure. 19 Als nu de heren van dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten. 20 En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn. 21 En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.